Factsheet toestand en ecologische sleutelfactoren (DIPS)

Hoofdlijnen

Beschrijving van het gebied en watersysteem op hoofdlijnen

Tussenboezem Vinkeveen a ligt in het reservaat Demmerik, grenzend aan de Vinkeveense plassen in de polder Groot Wilnis Vinkeveen. Het is een gebied met sloten en legakkers die overlopen in plassen, in een karakteristieke waaiervorm, in de gemeente De Ronde Venen. Het gebied is gevormd door veenwinning, in de periode 1950-1975. Dit waterlichaam maakt onderdeel uit van de Vinkeveenboezem, die als tussenboezem functioneert in het gehele gebied de Ronde Venen. De relatief hooggelegen boezem en de gebieden met min of meer het tussenboezempeil (de bovenlanden, veenweiden en petgaten/plassen) hebben een sterk infiltrerend karakter. Ze liggen ca. 4 meter hoger dan de naastliggende polder Groot Mijdrecht. De laaggelegen droogmakerijen zijn overwegend kwelgebieden. Door de lage weerstand van de bodem zijn de omvang van infiltratie en kwel hier aanzienlijk. Als gevolg van de infiltratie heeft de Tussenboezem vaak een watertekort, vooral in de zomerperiode, waardoor de toevoer van water noodzakelijk is. Het toegevoerde water is veelal afkomstig van het Amsterdam-Rijnkanaal.
Tussenboezem Vinkeveen a (NL11_8_1) heeft watertype “laagveen vaarten en kanalen” (M10) en het wateroppervlak van het waterlichaam is 59 hectare.
Het waterlichaam bestaat uit de deelgebieden:
2500-EAG-2 (Polder Groot Wilnis Vinkeveen, Reservaat Demmerik)
Het waterlichaam ligt in de provincie(s) Utrecht en gemeente(n) De Ronde Venen en Stichtse Vecht. Het waterlichaam Tussenboezem Vinkeveen a heeft de status KRW waterlichaam, Natuur Netwerk Nederland (NNN) en is in eigendom van Staatsbosbeheer, provincie Utrecht, particulieren.

Ligging en beeld

Het ecosysteem ziet eruit als onderstaand beeld

Ligging waterlichaam

Ligging deelgebieden

Toestand

Ecologische analyse op hoofdlijnen

De doelen
Het KRW-doel is het realiseren van een goede ecologische toestand voor Laagveen vaarten en kanalen (M10), met scores voor fytoplankton, macrofauna, waterflora en vis in het groen

De huidige toestand vergeleken met de doelen –matig
De toestand in Tussenboezem Vinkeveen a (zwarte lijnen in de figuur hiernaast) is matig. Het biologische kwaliteitselement met het laagste oordeel is Macrofauna.

Sinds de uitvoering van een aantal maatregelen is de ecologische toestand verbeterd, maar de doelen zijn nog niet gehaald. De hoeveelheid algenbloeien zijn afgenomen en vooral de biodiversiteit van waterplanten en macrofauna is enorm verbeterd. De hoeveelheid onderwaterplanten is nog steeds klein. De visstand is een aandachtspunt. De relatieve biomassa van brasem en karper is toegenomen in het gebied. Deze soorten kunnen het verdere herstel van waterplanten belemmeren. De score op de maatlat Fytoplankton vertoont geen trend. De score op de maatlat Waterflora vertoont een positieve trend (0.31 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Macrofauna vertoont een positieve trend (0.43 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). De score op de maatlat Vis vertoont een negatieve trend (-0.36 ekr per planperiode tussen 2006 en 2019). Deze trend is gebaseerd op twee meetjaren. Fysisch chemische parameters vertonen tussen 2006 en 2019 geen duidelijke trend.

Oorzaken op hoofdlijnen
De oorzaak van de ontoereikende kwaliteit is waarschijnlijk dat de maatregelen die al genomen zijn om de belasting met voedingsstoffen te verminderen nog te kort geleden zijn om al tot meetbaar effect te leiden. Het opzetten van waterpeilen tbv weidevogeldoelstellingen en karpers en brasems die het gebied inzwemmen belemmeren het herstel van onderwaterplanten. Plaatselijk is er wel te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of vraat door kreeften en ganzen.

Maatregelen op hoofdlijnen
De maatregelen zijn vooral gericht op het ecologisch verantwoord beheren en onderhouden van de watergangen. Een andere maatregel is gericht op het voorkomen dat karper en brasem het gebied in kunnen zwemmen. Deze vissen woelen de bodem om en zorgen daarmee voor minder gunstige omstandigheden voor waterplanten.

Toestand

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Huidige toestand vergeleken met doelen. De achtergrondkleuren in het figuur staan voor de klasseindeling van het huidige doel. Wanneer de zwarte streep over de groene achtergrondkleur (GEP) valt is het doel gehaald.

Ecologische sleutelfactoren

Ecologische sleutelfactoren

esficon Productiviteit water vormt geen probleem. De fosfaatbelasting is sterk verlaagd door maatregelen als isolatie en defosfatering. Mogelijk dat de waterbodem nog fosfor nalevert. Het opzetten van waterpeilen tbv weidevogeldoelstellingen en verstopte duikers (ten Zuiden van Mur) kunnen de fosforbelasting vergroten.
esficon Lichtklimaat vormt geen probleem. Er is voldoende doorzicht. Er valt licht op de bodem.
esficon Productiviteit bodem vormt geen probleem. Er is recent gebaggerd. De bodem onder de toplaag is voedselarm, < 5mg/kg (rapportage waterbodemonderzoek, Bware 2013). De effecten op de ecologie zijn nog niet zichtbaar.
esficon Habitatgeschiktheid vormt mogelijk een probleem. Karpers en brasems komen het gebied in en dat belemmert herstel van onderwaterplanten. De bootstuwen zijn daarbij een aandachtspunt. Staatsbosbeheer benoemd de steile oevers ook als potentieel knelpunt voor de ontwikkeling van moeras en emerse vegetatie.
esficon Verspreiding staat onder druk. Het niet kunnen verspreiden is geen knelpunt, het gebrek aan isolatie mogelijk wel.
esficon Verwijdering vormt een probleem. Plaatselijk is er wel te weinig oever- en submerse vegetatie, dit duidt op te intensief onderhoud en/of vraat door kreeften en ganzen.
esficon Organische belasting vormt geen probleem. Er zijn geen overstorten en er is voldoende zuurstof nabij de waterbodem.
esficon Toxiciteit vormt geen probleem. Het is geen risicogebied

Bron

Deze factsheet is gebaseerd op de KRW toetsing aan (maatlatten 2018) uit 2019, begrenzing waterlichamen 2015-2021, hydrobiologische data 2006-2018 en conceptmaatregelen en doelen voor SGBP3 en Evaluatie maatregelen tussenboezem Vinkeveen (2017).

Maatregelen (R)

SGBP 1 en 2 maatregelen die (deels) zijn uitgevoerd

SGBP 1 en 2 maatregelen in planvorming

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn gefaseerd

SGBP 1 en 2 maatregelen die zijn ingetrokken of vervangen

Nieuwe maatregelen voor SGBP3 tov totaal aantal maatregelen

Maatregelen

ESFoordeel SGBPPeriode Naam Toelichting BeoogdInitiatiefnemer UitvoeringIn
esficon SGBP3 2021-2027 Voorkomen dat brasem en karper het gebied in kan zwemmen Dit kan worden gerealiseerd met omgevingsmanagement en voorlichting. En door de stuw anders bedienbaar te maken (knop alleen bedienbaar vanuit het water) of door de watergangen zo mogelijk af te zetten met viswerend gaas. Deze maatregel heeft ook invloed op het lichtklimaat ( ESF2). Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Maatregelen bij pachters om nutriëntenbelasting op de waterlichamen te beperken Het is niet duidelijk of hier nog effectieve maatregelen genomen kunnen worden (in pachtcontracten) om meststofverliezen verder terug te dringen. Staatsbosbeheer 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Kleinere maximumhoeveelheid toestaan voor het onttrekken van water oppervlaktewater Nabij diepe plassen en kleine ondiepe plassen willen we ontrekkingen zoveel mogelijk voorkomen, door een alternatieve locatie te zoeken in een ander peilvak. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP2 2015-2021 Maatregelen landbouw om nutrientenbelasting op de waterlichamen te beperken fase 1 Deze maatregel wordt uitgevoerd in meerdere waterlichamen: Amstellandboezem, Vaarten Ronde Hoep, Vaarten Groot Mijdrecht, Bovenkerkerpolder, Noorderlegmeer, Groot Wilnis-Vinkeveen Zuid, Polder Demmerik, Vaarten Zevenhoven, Tussenboezem Vinkeveen a, Mijdrechtse Bovenlanden, Vinkeveense Plassen, Vecht, Vaarten Vechtstreek, Stichts Ankeveense Plassen, Kortenhoefse Plassen, Spiegelplas, Wijde Blik, Loosdrechtse Plassen, Ster en Zodden, Maarsseveense Zodden en omgeving, Molenpolder en Westbroek Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2015-2021
SGBP1 2009-2015 Herstel- en inrichtingsmaatregelen Demmerik, baggermaatregelen De maatregel betreft het baggeren van petgaten in het gebied Demmerik en wordt mede uitgevoerd in het kader van het Gebiedsconvenant Groot-Wilnis Vinkeveen. Staatsbosbeheer 2009-2015
SGBP1 2009-2015 Uitvoeren waterbeheermaatregelen Tussenboezem Vinkeveen Een set waterbeheermaatregelen met als doel het weren van water afkomstig van Wilnis-Veldzijde uit Res.Demmerik Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015
esficon SGBP2 2015-2021 Uitvoeren herstel- en inrichtingsmaatregelen Demmerik, baggermaatregelen De maatregel betreft het baggeren van petgaten in het gebied Demmerik en wordt mede uitgevoerd in het kader van het Gebiedsconvenant Groot-Wilnis Vinkeveen. De maatregel is een voortzetting van de maatregel uit de SGBP 1-planperiode Staatsbosbeheer 2015-2021
esficon SGBP3 2021-2027 Toepassen van ecologisch onderhoud en baggeren van hoofdwateren Natuurvriendelijk onderhouden is meestal gericht op niet méér verwijderen dan noodzakelijk is. Dus het beheer aanpassen als er te weinig vegetatie is zodat flora en fauna zich kunnen herstellen. Bij alle hoofdwatergangen van ons gebied is beoordeeld welke uitvoeringsmethode we kunnen en willen uitvoeren. In veel watergangen kan 25% van de vegetatie blijven staan. Vanwege ruimtegebrek is het niet mogelijk om overal 25% te sparen. Deze maatregel is opgenomen voor alle waterlichamen waar dit relevant is. Bij het baggeren zal, waar mogelijk, de oevervegetatie worden gespaard en bij de uitvoering zal worden gekozen voor meer natuurvriendelijke technieken Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud en baggeren van lijnvormige secundaire watergangen Aan deze maatregel wordt uitvoering gegeven via Agrarisch waterbeheer en de subsidieregelingen: bijvoorbeeld afrastering slootkanten, drinkbakken voor veedrenking, minder frequent maaien, beheerpakketten ‘baggerspuiten’ en ‘ecologisch slootschonen’ Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP3 2021-2027 Natuurvriendelijk onderhoud van lijnvormige secundaire watergangen: instrumenteel De Keur laat gebiedsgericht minder frequent schonen toe; implementatie gebeurt in bestuurlijk vast te stellen uitvoeringsprogramma’s onderhoud. Deze maatregel is voor meerdere waterlichamen relevant. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2021-2027
SGBP1 2009-2015 Toepassen ecologisch onderhoud oevers hoofdwateren - fase 1 Een gebiedsbrede maatregel in alle waterlichamen Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2009-2015

Disclaimer: SGBP3 maatregelen zijn nog niet bestuurlijk vastgesteld en kunnen nog worden gewijzigd.

Toelichting en onderbouwing ESF-en, monitoring en begrenzing

Motivering KRW status en herbegrenzing

Geen herbegrenzing nodig.

Monitoringswensen

In dit waterlichaam wordt de vegetatie 1 keer per 3 jaar gemeten. Macrofauna wordt niet gemeten, voor de KRW worden resultaten uit een ander waterlichaam getoond in formele rapportages (niet in deze factsheet). Fytoplankton wordt 1 keer per 6 jaar gemeten. Vis wordt 1 x per 6 jaar gemeten. Daarnaast worden maandelijks verschillende fysisch chemische parameters gemeten in het waterlichaam en het inlaatwater van het waterlichaam. Hier is het zinvol om te monitoren of het nieuw ingerichte weidevogelgebied wateroverschot heeft en er voedselrijk water wordt afgelaten richting het reservaat. Het is wel wenselijk om macrofauna te meten in dit gebied waar de ecologie en biodiversiteit aan het herstellen is. Ook zou het hier wenselijk zijn om te voedselrijkdom van de waterbodem nogmaals te bemonsteren om te evalueren of de waterbodem na het baggeren nog voedselrijk is.

Indicatoren ESF

ESF 1: Productiviteit

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

Fosforbelasting per bron (bar) en kritische belasting (rode stip is berekend met PCDitch, roze stip met PCLake).

ESF 2 en 4: Lichtklimaat en waterdiepte

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

Lichtklimaat in plassen obv extinctie tussen 2010 en 2019 of Waterdiepte in sloten.

ESF 1 en 3: Waterbodem

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Nalevering en voedselrijkdom waterbodem.

Brondata: water- en stoffenbalansen

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma`s fysisch-chemie en hydrobiologie

Brondata: Monitoringsresultaten uit meetprogramma waterbodemchemie

EKR scores op alle deelmaatlatten in de tijd

Begrippenlijst en afkortingen

Waterlichaam De waterlichamen vormen de basisrapportageeenheden van de KRW. Op basis van artikel 5 KRW zijn in 2004 Nederlandse oppervlaktewateren aangewezen als KRW-waterlichamen: natuurlijk, kunstmatig2 of sterk veranderd. Een oppervlaktewaterlichaam kan als kunstmatig of sterk veranderd worden aangewezen vanwege ingrepen in de hydromorfologie (art. 4 lid 3 KRW), die het bereiken van de Goede Ecologische Toe-stand verhinderen. In Nederland zijn vrijwel alle waterlichamen kunstmatig of sterk veranderd.

Emerse waterplanten Emerse waterplanten steken gedeeltelijk boven het wateroppervlak uit en wortelen in de (water)bodem.

Helofyten De moerasplanten of helofyten kan men vinden in vochtige gebieden, oevers, tijdelijke wateren en overstromingsgebieden. Typerend voor vele moerasplanten is dat ze zich hebben aangepast aan een droge periode (zoals het uitdrogen van een rivierbedding) en een periode van gedeeltelijke of volledige onderdompeling. Voor sommige soorten is deze afwisseling noodzakelijk voor het bestaan. Terwijl de ‘echte’ waterplanten niet in de bodem wortelen en vaak onder water kunnen leven (met uitzondering van de bloeiwijzen), wortelen de helofyten of moerasplanten in de bodem en steken gewoonlijk boven de wateroppervlakte uit.

Submerse waterplanten De term submers (ondergedoken) wordt gebruikt voor waterplanten die geheel onder water groeien. Alleen de bloeiwijze kan bij sommige soorten boven het water uitsteken.

Hydrofyten De ‘echte waterplanten’ of hydrofyten komen voor in stilstaande of traag stromende permanente meren of rivieren. Deze planten zijn aangepast aan een submers leven. Indien het biotoop uitdroogt wordt het voortbestaan van deze planten bedreigd. De wortels dienen tot verankering van de plant. De stengels kunnen tot tien meter lang worden en zijn soepel en buigbaar. De drijvende bladeren kunnen hierdoor aanpassen aan de waterstand, waardoor de lichtopname niet in het gedrang komt. Andere soorten drijven, onafhankelijk van de bodem, net onder of boven het wateroppervlak. Er bestaan dus hydrofyten met zowel een submerse als emerse groeivorm. In beide gevallen zullen de voedingstoffen hoofdzakelijk via het blad opgenomen worden.

GAF Een afvoergebied of een cluster van peilgebieden met als gemeenschappelijk kenmerk dat ze via een gemeenschappelijk punt hun water lozen op een hoofdsysteem.

EAG Ecologische analysegebieden zijn nieuwe opdelingen van de bestaande af- en aanvoergebieden (GAF’s), meestal (delen van) polders. De opdeling in EAG’s is gemaakt op basis van een aantal kenmerken zoals vorm, verblijftijd, waterdiepte, strijklengte, de aanwezigheid van kwel of wegzijging en de afvoerrichting van het water. Een EAG valt altijd volledig binnen een afvoergebied. Af-en aanvoergebieden, maar ook KRW-waterlichamen, zijn dus opgebouwd uit één of meer EAG’s.

KRW Kaderrichtlijn water

N2000 Natura 2000 De verzameling van Nederlandse natuurgebieden die in Europees verband een beschermde status genieten (Vogel- en habitatrichtlijngebieden).

EKR Ecologische kwaliteitratio, een getal tussen 0 en 1 waarmee de kwaliteit van een ecologische parameter wordt aangegeven. 0 is zeer slecht, 1 is zeer goed. De grens voor het GEP wordt gewoonlijk bij een EKR van 0,6 gelegd.

Biologisch kwaliteitselement Een ecologische groep de waarmee de situatie van het waterlichaam wordt beoordeeld. Gebruikt worden: fytoplankton en diatomeeën (algen), waterplanten, macrofauna (waterdieren) en vissen.

Maatlat Een schaal die gebruikt wordt om de situatie van een ecologische parameter te beoordelen. De uitkomst is een EKR.

Deelmaatlat Voor elk biologisch kwaliteitselement zijn één of meerdere deelmaatlattenonderscheiden op basis van de soortsamenstelling en de (relatieve) aanwezigheidvan soorten, en voor vis de leeftijdsopbouw. De uitkomst is een EKR.

Indicator Een verder opdeling van biologische deelmaatlatten. De uitkomst is in een aantal gevallen een EKR.

GEP of KRW doel De KRW heeft voor natuurlijke waterlichamen als doel dat een goede toestand (zowel ecologisch als che-misch) moet worden gehaald (GET). Voor de kunstmatig of sterk veranderde oppervlaktewaterlichamen moet een goed ecologisch potentieel (GEP) en een goede chemische toestand worden bereikt. Het GEP voor rijkswateren wordt afgeleid door Rijkswaterstaat namens de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat, Economische Zaken en Klimaat (en mogelijk Landbouw, Visserij en Voedselveiligheid) en gepresenteerd in het Beheerplan rijkswateren (BPRW, vastgesteld door de ministers). De provincies zijn verantwoordelijk voor het afleiden van het GEP voor regionale wateren. Dit gebeurt in regionale waterplannen. Hoewel de provincie formeel het GEP moet vaststellen in het regionaal waterplan, levert het waterschap vanwege de kennis over watersystemen meestal het GEP aan, als beheerder van het regionaal oppervlaktewaterlichaam. Beide kunnen hierbij de Handreiking KRW-doelen volgen. De KRW biedt uitzonderingsmogelijkheden waarbij het doel later (doelvertraging) of niet (minder streng doel) gehaald hoeft te worden. Alleen in het laatste geval is het GEP niet meer het doel. In deze handreiking is het GEP-synoniem voor het doel, tenzij anders aangegeven. In hoofdstuk 3 en 4 wordt het afleiden van de doelen technisch beschreven.

SGBP Naast het definiëren van waterlichamen en doelen schrijft de KRW voor dat er stroomgebiedbeheerplan-nen (SGBP) worden opgesteld (art. 13 KRW). De bouwstenen van de stroomgebiedbeheerplannen staan in de waterplannen van het Rijk en de provincies en in de beheerplannen van de waterbeheerders. De SGBP’s geven een overzicht van de toestand, de problemen, de doelen en de maatregelen voor het verbeteren van de waterkwaliteit voor de inliggende waterlichamen. Nederland kent vier stroomgebieden: Rijn, Maas, Schelde, en Eems. De beheerplannen voor de stroomgebie-den worden iedere zes jaar geactualiseerd. Volgens bijlage VII van de KRW bevatten de SGBP’s onder andere:de beschrijving van de kenmerken van het stroomgebieddistrict;de ligging, begrenzing en typering van waterlichamen (voor sterk veranderd en kunstmatig inclusief een motivering); de huidige toestand op basis van de resultaten van de monitoring over de afgelopen periode;de doelen voor waterlichamen en een eventueel beroep op uitzonderingsmogelijkheden inclusief motivering; een samenvatting van de te nemen maatregelen om de doelen te bereiken.

Watersysteemanalyse Om goede keuzes te maken voor doelen en maatregelen is het essentieel te weten hoe een waterlichaam werkt. De systeemanalyse heeft als doel inzicht te verschaffen in het systeemfunctioneren, wat via verschillende methoden bereikt kan worden. Dit vormt het vertrekpunt voor het antwoord op de vraag hoe (met welke maatregelen) kan worden gekomen tot een betere toestand. Zonder goed inzicht in het systeem-functioneren is het risico groot dat niet de juiste maatregelen in beeld zijn, of dat maatregelen uiteindelijk niet opleveren wat ervan wordt verwacht.